Het boek ligt op de tafel.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Voorzetsels, getallen en tijd
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Voorzetsels van plaats zijn woorden die aangeven waar iemand of iets zich bevindt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze voorzetsels om de positie van personen of voorwerpen aan te geven, bijvoorbeeld waar iets staat, ligt of hangt ten opzichte van iets anders.
Belangrijke vormen
- op
- in
- naast
- onder
- boven
- achter
- voor
- tussen
Voorbeelden
De kat zit onder de stoel.
De lamp hangt boven het bed.
De auto staat voor het huis.
De winkel is tussen de bank en het café.
Tips
- Let goed op het verschil tussen 'op' en 'in'.
- Na het voorzetsel volgt meestal 'de' of 'het' en een zelfstandig naamwoord.
- De voorzetsel komt altijd vóór het zelfstandig naamwoord.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige voorzetsels kunnen afhankelijk van de context een andere betekenis hebben, bijvoorbeeld 'op'.