board game
Brettspiel
Bekijk vertaalpaginaboard game
Brettspiel
Bekijk vertaalpaginatable tennis
Tischtennis
Bekijk vertaalpaginabaseball
Baseball
Bekijk vertaalpaginabasketball
Basketball
Bekijk vertaalpaginabasketball
Basketball
Bekijk vertaalpaginasoccer
Fußball
Bekijk vertaalpaginatennis
Tennis
Bekijk vertaalpaginatennis racket
Tennisschläger
Bekijk vertaalpaginapiano
Klavier
Bekijk vertaalpaginaplayground
Spielplatz
Bekijk vertaalpaginabadminton
Badminton
Bekijk vertaalpaginaSpieleabend in der Turnhalle
Es ist Abend, und Regen trommelt an die Fenster der Schulturnhalle.
Het is avond, en de regen trommelt tegen de ramen van de gymzaal van de school.
Jonas will heute mit seinen Freunden spielen.
Jonas wil vandaag met zijn vrienden spelen.
Wir sind in der warmen Turnhalle.
We zijn in de warme gymzaal.
Draußen ist der Spielplatz ganz nass.
Buiten is de speeltuin helemaal nat.
Wir können nicht draußen spielen, aber wir bleiben fröhlich.
We kunnen niet buiten spelen, maar we blijven vrolijk.
In der Halle stehen viele Sachen für Spiele.
In de hal staan veel spullen voor spelletjes.
Jonas möchte Fußball spielen.
Jonas wil voetbal spelen.
Mia zeigt auf den Korb und sagt, Basketball macht ihr Spaß.
Mia wijst naar de basket en zegt dat ze graag basketbal speelt.
Lukas sagt, er mag Tischtennis.
Lukas zegt dat hij van tafeltennis houdt.
„Wer spielt zuerst?“, fragt Jonas.
"Wie speelt er eerst?" vraagt Jonas.
In der Ecke sehen sie ein Netz für Tennis und einen Tennisschläger.
In de hoek zien ze een net voor tennis en een tennisracket.
Es gibt auch einen weichen Baseball und Schläger für Badminton.
Er is ook een zachte bal voor honkbal en rackets voor badminton.
Jonas hat eine Idee, und wir spielen kurz nacheinander jedes Spiel.
Jonas heeft een idee en we spelen elk spel kort na elkaar.
Danach setzen sich alle auf die Matte und legen ein Brettspiel bereit.
Daarna gaan ze allemaal op de mat zitten en leggen ze een bordspel klaar.
Mia spielt eine leise Melodie auf dem Klavier, und alle atmen ruhig und lächeln.
Mia speelt een zacht melodietje op de piano, en iedereen ademt rustig en glimlacht.
Spielst du Baseball?
Nederlands: Speel je honkbal?
Sie spielen Badminton.
Nederlands: Zij spelen badminton.
Es gibt hier einen Spielplatz.
Nederlands: Er is hier een speeltuin.
Sie spielen oft Basketball.
Nederlands: Zij spelen vaak basketbal.
Zes woordspellen gebouwd op onze echte woordenschat — gratis in de browser, geen installatie nodig.
Open de spelhub →
Match het middelste woord onder tijdsdruk en houd je combo vast.
Speel nu →
Vlieg door de juiste poort voordat de snelheid opvoert.
Speel nu →
Snijd de woorden in de doeltaal, ontwijk de afleider in de hoofdtaal en ga voor het aangekondigde bonusdoel.
Speel nu →
Volg één pad over het bord, raak elk letterankerpunt op volgorde en vul elk open vakje.
Speel nu →
Kies het woord dat niet past uit een thematische set — elke tik toont meteen alle vier betekenissen en afbeeldingen, zodat de ronde ook een flashcard wordt.
Speel nu →
Draai kaarten om en koppel woorden in de doeltaal aan hun betekenis in de hoofdtaal voordat je levens op zijn.
Speel nu →