Taal
Spaans
Niveau
A2
Eenheid
Preposiciones y conjunciones
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Plaatsbepalende voorzetsels in het Spaans zijn woorden die aangeven waar iemand of iets zich bevindt. Ze helpen je om de locatie of positie van mensen en dingen te beschrijven.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze voorzetsels in het Spaans om aan te geven waar iets of iemand is, om aanwijzingen te geven of om posities te beschrijven.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

El libro está sobre la mesa.

Nederlands: Het boek ligt op de tafel.

El gato está debajo de la silla.

Nederlands: De kat is onder de stoel.

La escuela está cerca de mi casa.

Nederlands: De school is dichtbij mijn huis.

El coche está delante del supermercado.

Nederlands: De auto staat voor de supermarkt.

La lámpara está entre la cama y la ventana.

Nederlands: De lamp is tussen het bed en het raam.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen