Taal
Spaans
Niveau
A2
Eenheid
Preguntas
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Spaans zijn er directe vragen, die je rechtstreeks stelt, en indirecte vragen, die deel uitmaken van een andere zin.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik directe vragen als je iemand iets direct vraagt. Gebruik indirecte vragen als je wilt zeggen wat je wilt weten of als je een vraag in een andere zin gebruikt.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

¿Dónde está el baño?

Nederlands: Waar is het toilet?

¿Qué hora es?

Nederlands: Hoe laat is het?

No sé dónde está el baño.

Nederlands: Ik weet niet waar het toilet is.

Me puedes decir qué hora es.

Nederlands: Kun je me vertellen hoe laat het is?

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen