¿Dónde está el baño?
Nederlands: Waar is het toilet?
In het Spaans zijn er directe vragen, die je rechtstreeks stelt, en indirecte vragen, die deel uitmaken van een andere zin.
Gebruik directe vragen als je iemand iets direct vraagt. Gebruik indirecte vragen als je wilt zeggen wat je wilt weten of als je een vraag in een andere zin gebruikt.
¿Dónde está el baño?
Nederlands: Waar is het toilet?
¿Qué hora es?
Nederlands: Hoe laat is het?
No sé dónde está el baño.
Nederlands: Ik weet niet waar het toilet is.
Me puedes decir qué hora es.
Nederlands: Kun je me vertellen hoe laat het is?