- Taal
- Spaans
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Negación y estructura de la oración
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Spaans zijn 'oraciones afirmativas, negativas e interrogativas' bevestigende, ontkennende en vragende zinnen. Dit zijn de basiszinnen om iets te zeggen, te ontkennen of een vraag te stellen.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik een bevestigende zin om iets te zeggen, een ontkennende zin om iets te ontkennen, en een vragende zin om een vraag te stellen.
Belangrijke vormen
- Afirmativa: Onderwerp + werkwoord + aanvulling. Voorbeeld: Yo estudio español.
- Negativa: Onderwerp + 'no' + werkwoord + aanvulling. Voorbeeld: Yo no estudio francés.
- Interrogativa: ¿ + werkwoord + onderwerp + aanvulling + ?. Voorbeeld: ¿Estudias español?
Voorbeelden
Ella vive en Madrid.
Nederlands: Zij woont in Madrid.
Nosotros no comemos carne.
Nederlands: Wij eten geen vlees.
¿Hablas inglés?
Nederlands: Spreek jij Engels?
Tú no tienes hermanos.
Nederlands: Jij hebt geen broers of zussen.
¿Trabajan ustedes aquí?
Nederlands: Werken jullie hier?
Tips
- Zet 'no' altijd vlak voor het werkwoord in een ontkennende zin.
- Begin een vraag met het omgekeerde vraagteken (¿) en verander de woordvolgorde.
- Gebruik in het Spaans geen dubbele ontkenning; één 'no' is genoeg.
Uitzonderingen en randgevallen
- Soms begint een vraag met een vraagwoord zoals 'qué', 'dónde' of 'cuándo': ¿Dónde vives?
- In gesproken Spaans kun je het onderwerp weglaten als het duidelijk is door het werkwoord.