Soy alumno.
Nederlands: Ik ben leerling.
In het Spaans zijn 'ser', 'estar', 'tener' en 'haber (hay)' belangrijke werkwoorden om te praten over zijn, hebben en bestaan.
'Ser' gebruik je voor permanente kenmerken, identiteit en afkomst. 'Estar' gebruik je voor tijdelijke toestanden, locaties en gevoelens. 'Tener' betekent hebben of geeft leeftijd aan. 'Hay' (van 'haber') gebruik je om te zeggen dat iets of iemand bestaat (er is/zijn).
Soy alumno.
Nederlands: Ik ben leerling.
El coche está aquí.
Nederlands: De auto is hier.
Tengo hambre.
Nederlands: Ik heb honger.
Hay una fiesta hoy.
Nederlands: Er is een feest vandaag.
Estamos listos.
Nederlands: We zijn klaar.