Taal
Spaans
Niveau
A1
Eenheid
Verbos: presente
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Spaans zijn 'ser', 'estar', 'tener' en 'haber (hay)' belangrijke werkwoorden om te praten over zijn, hebben en bestaan.

Wanneer je het gebruikt

'Ser' gebruik je voor permanente kenmerken, identiteit en afkomst. 'Estar' gebruik je voor tijdelijke toestanden, locaties en gevoelens. 'Tener' betekent hebben of geeft leeftijd aan. 'Hay' (van 'haber') gebruik je om te zeggen dat iets of iemand bestaat (er is/zijn).

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Soy alumno.

Nederlands: Ik ben leerling.

El coche está aquí.

Nederlands: De auto is hier.

Tengo hambre.

Nederlands: Ik heb honger.

Hay una fiesta hoy.

Nederlands: Er is een feest vandaag.

Estamos listos.

Nederlands: We zijn klaar.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen