- Taal
- Spaans
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Verbos: presente
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Spaans veranderen sommige werkwoorden van vorm in de tegenwoordige tijd. Dit zijn onregelmatige werkwoorden. Ze volgen niet de standaardregels.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze onregelmatige werkwoorden om te praten over zijn, gaan, hebben of doen in het Spaans, meestal in dagelijkse situaties.
Belangrijke vormen
- ser: soy, eres, es, somos, sois, son
- ir: voy, vas, va, vamos, vais, van
- tener: tengo, tienes, tiene, tenemos, tenéis, tienen
- hacer: hago, haces, hace, hacemos, hacéis, hacen
Voorbeelden
Yo soy estudiante.
Nederlands: Ik ben student.
Tú tienes un libro.
Nederlands: Jij hebt een boek.
Nosotros vamos al parque.
Nederlands: Wij gaan naar het park.
Ella hace la tarea.
Nederlands: Zij maakt het huiswerk.
Tips
- Leer de onregelmatige vormen uit je hoofd, want ze volgen geen vast patroon.
- De veranderingen komen vaak voor bij de 'yo'-vorm (ik), soms ook bij andere vormen.
- Oefen veel met veelgebruikte werkwoorden zoals ser, ir, tener en hacer.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden zijn alleen onregelmatig in de 'yo'-vorm (bijvoorbeeld: 'salir' → 'salgo').
- Andere werkwoorden veranderen de stam (bijvoorbeeld: 'querer' → 'quiero', 'quieres', enz.).