Taal
Spaans
Niveau
A1
Eenheid
Preposiciones y conjunciones
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Spaans zijn basispreposities korte woordjes die relaties aangeven tussen mensen, dingen of delen van een zin. Ze geven vaak plaats, richting, tijd of bezit aan.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik basispreposities in het Spaans om aan te geven waar iets is, waar iemand naartoe gaat, van wie iets is, hoe iets gebeurt of waarom iets gebeurt.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Voy a la escuela.

Nederlands: Ik ga naar school.

El libro es de Ana.

Nederlands: Het boek is van Ana.

La llave está en la mesa.

Nederlands: De sleutel ligt op de tafel.

Salgo con mis amigos.

Nederlands: Ik ga uit met mijn vrienden.

Este regalo es para ti.

Nederlands: Dit cadeau is voor jou.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen