Voy a la escuela.
Nederlands: Ik ga naar school.
In het Spaans zijn basispreposities korte woordjes die relaties aangeven tussen mensen, dingen of delen van een zin. Ze geven vaak plaats, richting, tijd of bezit aan.
Gebruik basispreposities in het Spaans om aan te geven waar iets is, waar iemand naartoe gaat, van wie iets is, hoe iets gebeurt of waarom iets gebeurt.
Voy a la escuela.
Nederlands: Ik ga naar school.
El libro es de Ana.
Nederlands: Het boek is van Ana.
La llave está en la mesa.
Nederlands: De sleutel ligt op de tafel.
Salgo con mis amigos.
Nederlands: Ik ga uit met mijn vrienden.
Este regalo es para ti.
Nederlands: Dit cadeau is voor jou.