Taal
Duits
Niveau
B2
Eenheid
Nebensätze und Satzstruktur
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Vergleichssätze zijn vergelijkingszinnen in het Duits. Je gebruikt ze om mensen, dingen of handelingen te vergelijken, vaak met de woorden 'wie' (zoals) of 'als' (dan).

Wanneer je het gebruikt

Gebruik Vergleichssätze in het Duits om overeenkomsten of verschillen tussen personen, dingen of handelingen aan te geven. Hiermee kun je zeggen dat iets hetzelfde, verschillend, meer of minder is dan iets anders.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Peter ist so groß wie Anna.

Nederlands: Peter is even groot als Anna.

Dieses Auto ist schneller als mein Auto.

Nederlands: Deze auto is sneller dan mijn auto.

Sie arbeitet genauso fleißig wie ihr Bruder.

Nederlands: Zij werkt net zo hard als haar broer.

Ich habe weniger Geld als du.

Nederlands: Ik heb minder geld dan jij.

Das Wetter heute ist besser als gestern.

Nederlands: Het weer vandaag is beter dan gisteren.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen