Taal
Duits
Niveau
B2
Eenheid
Satzglieder und Wortstellung
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits is de positie van het onderwerp (subjekt) en het voorwerp (object) in de zin belangrijk om te begrijpen wie iets doet en wie iets ontvangt. Het onderwerp voert de handeling uit, het object ontvangt deze.

Wanneer je het gebruikt

Deze regels gebruik je in de meeste Duitse zinnen om duidelijk te maken wie wat doet. Door de volgorde te veranderen, kun je de nadruk in de zin aanpassen.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Der Junge liest das Buch.

Nederlands: De jongen leest het boek.

Ich gebe meiner Mutter die Blumen.

Nederlands: Ik geef mijn moeder de bloemen.

Den Apfel isst das Kind.

Nederlands: Het kind eet de appel.

Heute kaufe ich einen neuen Computer.

Nederlands: Vandaag koop ik een nieuwe computer.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen