Ich habe einen roten Apfel.
Nederlands: Ik heb een rode appel.
Adjektivdeklination betekent dat het bijvoeglijk naamwoord in het Duits een andere uitgang krijgt, afhankelijk van het geslacht, het getal, de naamval en het lidwoord voor het zelfstandig naamwoord.
Gebruik de adjectiefvervoeging als een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord staat in het Duits. De uitgang verandert afhankelijk van het lidwoord (der, ein, enz.), het geslacht (mannelijk, vrouwelijk, onzijdig), het getal (enkelvoud, meervoud) en de naamval (nominatief, accusatief, datief, genitief).
Ich habe einen roten Apfel.
Nederlands: Ik heb een rode appel.
Sie trägt ein schönes Kleid.
Nederlands: Zij draagt een mooie jurk.
Wir wohnen in einer kleinen Wohnung.
Nederlands: Wij wonen in een klein appartement.
Er spricht mit dem netten Lehrer.
Nederlands: Hij spreekt met de aardige leraar.