Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Adjektive und Adverbien
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

De Komparativ en Superlativ in het Duits worden gebruikt om dingen of mensen te vergelijken. Hiermee kun je zeggen of iets groter, kleiner of het meest van iets is.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik de Komparativ om twee dingen te vergelijken (bijvoorbeeld groter dan). Gebruik de Superlativ om aan te geven dat iets het meest is in een groep.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Mein Hund ist größer als dein Hund.

Nederlands: Mijn hond is groter dan jouw hond.

Anna läuft schneller als Peter.

Nederlands: Anna loopt sneller dan Peter.

Das ist der schönste Tag.

Nederlands: Dat is de mooiste dag.

Er ist am intelligentesten in der Klasse.

Nederlands: Hij is de intelligentste van de klas.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen