Ich habe drei Äpfel.
Nederlands: Ik heb drie appels.
In het Duits zijn 'Zahlen' de telwoorden (één, twee, drie) en 'Ordnungszahlen' de rangtelwoorden (eerste, tweede, derde). Je gebruikt ze om te tellen en om een volgorde aan te geven.
Gebruik Zahlen om dingen of mensen te tellen, je leeftijd te zeggen of hoeveelheden aan te geven. Gebruik Ordnungszahlen om een volgorde, datum, verdieping of plaats aan te geven.
Ich habe drei Äpfel.
Nederlands: Ik heb drie appels.
Heute ist der erste Mai.
Nederlands: Vandaag is het de eerste mei.
Mein Zimmer ist im zweiten Stock.
Nederlands: Mijn kamer is op de tweede verdieping.
Sie kommt als dritte.
Nederlands: Zij komt als derde.
Wir sind fünf Personen.
Nederlands: Wij zijn met vijf personen.