Taal
Duits
Niveau
A2
Eenheid
Weitere Grammatikthemen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn 'Zahlen' de telwoorden (één, twee, drie) en 'Ordnungszahlen' de rangtelwoorden (eerste, tweede, derde). Je gebruikt ze om te tellen en om een volgorde aan te geven.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik Zahlen om dingen of mensen te tellen, je leeftijd te zeggen of hoeveelheden aan te geven. Gebruik Ordnungszahlen om een volgorde, datum, verdieping of plaats aan te geven.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich habe drei Äpfel.

Nederlands: Ik heb drie appels.

Heute ist der erste Mai.

Nederlands: Vandaag is het de eerste mei.

Mein Zimmer ist im zweiten Stock.

Nederlands: Mijn kamer is op de tweede verdieping.

Sie kommt als dritte.

Nederlands: Zij komt als derde.

Wir sind fünf Personen.

Nederlands: Wij zijn met vijf personen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen