- Taal
- Duits
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Satzstruktur und Nebensätze
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Duits betekent 'Wortstellung im Hauptsatz' de volgorde van woorden in een hoofdzin. Dit geeft aan waar het onderwerp, het werkwoord en andere delen van de zin staan in een gewone zin.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze woordvolgorde voor gewone mededelende zinnen en ja/nee-vragen in een hoofdzin in het Duits.
Belangrijke vormen
- 1. Onderwerp – Werkwoord – Andere delen
- 2. Het werkwoord staat altijd op de tweede plaats
- 3. Komt er iets anders (zoals tijd of plaats) vooraan, dan staat het werkwoord nog steeds op de tweede plaats en het onderwerp na het werkwoord
Voorbeelden
Ich lerne Deutsch.
Nederlands: Ik leer Duits.
Morgen fahre ich nach Berlin.
Nederlands: Morgen ga ik naar Berlijn.
Wir essen Pizza.
Nederlands: Wij eten pizza.
Im Sommer schwimme ich oft.
Nederlands: In de zomer zwem ik vaak.
Du liest ein Buch.
Nederlands: Jij leest een boek.
Tips
- Het werkwoord staat altijd op de tweede plaats, niet altijd als tweede woord.
- Begin je de zin met iets anders (zoals tijd of plaats), dan komt het onderwerp na het werkwoord.
- Zet nooit twee werkwoorden samen op de tweede plaats.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij ja/nee-vragen staat het werkwoord op de eerste plaats.
- In bijzinnen (met 'weil', 'dass', enz.) staat het werkwoord achteraan.