Ich warte auf den Bus.
Nederlands: Ik wacht op de bus.
In het Duits hebben sommige werkwoorden altijd een vaste voorzetsel erbij. Dit heet 'Verben mit Präpositionen'. Het voorzetsel kan de betekenis van het werkwoord veranderen. Je moet het werkwoord en het voorzetsel samen leren.
Je gebruikt deze grammatica om te zeggen waar je op wacht, waar je aan denkt, waar je over praat of waarin je geïnteresseerd bent. Het voorzetsel hoort vast bij het werkwoord. Het object na het voorzetsel krijgt een bepaalde naamval (Akkusativ of Dativ).
Ich warte auf den Bus.
Nederlands: Ik wacht op de bus.
Er denkt an seine Familie.
Nederlands: Hij denkt aan zijn familie.
Wir sprechen über das Wetter.
Nederlands: We praten over het weer.
Sie interessiert sich für Kunst.
Nederlands: Zij interesseert zich voor kunst.
Du fragst nach dem Weg.
Nederlands: Jij vraagt naar de weg.