- Taal
- Duits
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Zeiten und Verbkonstruktionen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Het Duitse 'Präsens' is de tegenwoordige tijd. Je gebruikt het om te praten over dingen die nu gebeuren, gewoontes of algemene waarheden.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik het Präsens in het Duits voor acties die nu plaatsvinden, dingen die je regelmatig doet of feiten die altijd waar zijn. Het kan ook gebruikt worden voor toekomstige gebeurtenissen als het tijdstip duidelijk is.
Belangrijke vormen
- Ich gehe.
- Du lernst.
- Er spielt.
- Wir machen.
- Ihr schreibt.
- Sie kommen.
Voorbeelden
Ich lerne Deutsch.
Nederlands: Ik leer Duits.
Du spielst Fußball.
Nederlands: Jij speelt voetbal.
Wir gehen ins Kino.
Nederlands: Wij gaan naar de bioscoop.
Sie arbeitet jeden Tag.
Nederlands: Zij werkt elke dag.
Tips
- Let op de juiste uitgang van het werkwoord bij elk onderwerp (ich, du, er/sie/es, enz.).
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en veranderen van stam in het Präsens.
- Het Präsens kan ook gebruikt worden voor de toekomst als er een tijdsaanduiding is.
Uitzonderingen en randgevallen
- Werkwoorden als 'sein', 'haben' en 'werden' zijn onregelmatig en hebben speciale vormen.
- Sommige werkwoorden veranderen van klinker in de stam ('fahren' → 'du fährst').