- Taal
- Duits
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Negation
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
'Niet' is de manier om een zin negatief te maken in het Duits. Je gebruikt 'nicht' om te zeggen dat iets niet waar is of niet gebeurt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik 'nicht' om werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden of de hele zin in het Duits te ontkennen. Het wordt gebruikt om te zeggen dat iets niet gebeurt, niet waar is of niet op een bepaalde manier is.
Belangrijke vormen
- 'nicht' staat meestal voor een bijvoeglijk naamwoord, bijwoord of aan het einde van de zin.
- Ich bin nicht müde.
- Er arbeitet nicht schnell.
- Wir gehen heute nicht.
Voorbeelden
Ich spreche nicht Deutsch.
Nederlands: Ik spreek geen Duits.
Das ist nicht mein Buch.
Nederlands: Dat is niet mijn boek.
Wir kommen heute nicht.
Nederlands: Wij komen vandaag niet.
Er ist nicht glücklich.
Nederlands: Hij is niet gelukkig.
Sie arbeitet nicht hier.
Nederlands: Zij werkt hier niet.
Tips
- Plaats 'nicht' direct voor het woord dat je wilt ontkennen, of aan het einde van de zin als je de hele zin ontkent.
- Gebruik niet 'nicht' voor zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord; gebruik dan 'kein/keine/kein'.
- 'Nicht' staat in een gewone zin niet voor het vervoegde werkwoord.
Uitzonderingen en randgevallen
- Voor 'niet een/geen' gebruik je 'kein/keine/kein' in plaats van 'nicht'.
- 'Nicht' komt aan het einde, maar voor het infinitief of een scheidbaar voorvoegsel.