- Taal
- Duits
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Adjektive und Vergleich
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De 'Komparativ' in het Duits wordt gebruikt om twee dingen te vergelijken en aan te geven dat het ene meer van een eigenschap heeft dan het andere (bijvoorbeeld: groter, sneller).
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de Komparativ om personen, dingen of situaties met elkaar te vergelijken. Zo laat je zien dat iets meer is dan iets anders.
Belangrijke vormen
- Meeste bijvoeglijke naamwoorden: voeg '-er' toe. Voorbeeld: schnell → schneller.
- Bij éénlettergrepige bijvoeglijke naamwoorden vaak een Umlaut (indien mogelijk). Voorbeeld: alt → älter.
- Gebruik 'als' om te vergelijken. Voorbeeld: Peter ist größer als Anna.
Voorbeelden
Mein Hund ist schneller als dein Hund.
Nederlands: Mijn hond is sneller dan jouw hond.
Anna ist jünger als Maria.
Nederlands: Anna is jonger dan Maria.
Dieses Buch ist interessanter als das andere.
Nederlands: Dit boek is interessanter dan het andere.
Der Test war schwerer als gestern.
Nederlands: De toets was moeilijker dan gisteren.
Tips
- Gebruik altijd 'als' (niet 'wie') bij het vergelijken met de Komparativ.
- Vergeet niet de Umlaut toe te voegen bij veel korte bijvoeglijke naamwoorden (groß → größer, alt → älter).
- Zeg niet 'mehr' voor het bijvoeglijk naamwoord (zeg 'schneller', niet 'mehr schnell').
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn onregelmatig: gut → besser, viel → mehr, hoch → höher.
- Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op '-el' of '-er' verliezen de 'e' voor '-er': dunkel → dunkler.