Der rote Apfel ist lecker.
Nederlands: De rode appel is lekker.
Adjectiefverbuiging in de nominatief betekent dat het Duitse bijvoeglijk naamwoord een andere uitgang krijgt als het vóór een zelfstandig naamwoord in het onderwerp van de zin staat.
Gebruik de adjectiefverbuiging in de nominatief als je het onderwerp van de zin met een bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord beschrijft. De uitgang hangt af van het lidwoord (der/die/das, ein/eine) en het geslacht en getal.
Der rote Apfel ist lecker.
Nederlands: De rode appel is lekker.
Eine große Frau steht dort.
Nederlands: Een grote vrouw staat daar.
Das kleine Kind spielt.
Nederlands: Het kleine kind speelt.
Gute Freunde helfen immer.
Nederlands: Goede vrienden helpen altijd.