Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Zeit und Ort
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits betekent 'Uhrzeit' hoe je de tijd vraagt en aangeeft. Je leert hoe je met Duitse zinnen en cijfers de tijd kunt benoemen.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze vormen als je in het Duits wilt vragen hoe laat het is, of als je de tijd wilt vertellen. Bijvoorbeeld bij afspraken, in gesprekken of op een dienstregeling.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Wie spät ist es?

Nederlands: Hoe laat is het?

Es ist zwei Uhr.

Nederlands: Het is twee uur.

Es ist halb drei.

Nederlands: Het is half drie (2:30).

Es ist Viertel nach vier.

Nederlands: Het is kwart over vier.

Es ist Viertel vor acht.

Nederlands: Het is kwart voor acht.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen