- Taal
- Duits
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Nomen und Kasus
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Duits kunnen zelfstandige naamwoorden (Nomen) in het enkelvoud (één) of meervoud (meer dan één) staan. Enkelvoud gebruik je voor één persoon of ding, meervoud voor twee of meer.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik het enkelvoud als je over één persoon of ding praat. Gebruik het meervoud voor meerdere.
Belangrijke vormen
- Enkelvoud: der Tisch
- Meervoud: die Tische
- Veelvoorkomende meervoudsuitgangen: -e, -er, -n/-en, -s, geen uitgang
Voorbeelden
Das ist ein Apfel.
Nederlands: Dit is een appel.
Das sind Äpfel.
Nederlands: Dit zijn appels.
Die Frau liest.
Nederlands: De vrouw leest.
Die Frauen lesen.
Nederlands: De vrouwen lezen.
Tips
- Leer altijd het meervoud van een zelfstandig naamwoord samen met het enkelvoud.
- Het lidwoord verandert in het meervoud: 'der', 'die', 'das' worden allemaal 'die' in het meervoud.
- Sommige woorden krijgen een Umlaut in het meervoud (a → ä, o → ö, u → ü).
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige zelfstandige naamwoorden veranderen niet in het meervoud (bijv. der Lehrer – die Lehrer).
- Sommige zelfstandige naamwoorden bestaan alleen in het meervoud (bijv. die Eltern).