Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Nomen und Kasus
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits kunnen zelfstandige naamwoorden (Nomen) in het enkelvoud (één) of meervoud (meer dan één) staan. Enkelvoud gebruik je voor één persoon of ding, meervoud voor twee of meer.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik het enkelvoud als je over één persoon of ding praat. Gebruik het meervoud voor meerdere.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Das ist ein Apfel.

Nederlands: Dit is een appel.

Das sind Äpfel.

Nederlands: Dit zijn appels.

Die Frau liest.

Nederlands: De vrouw leest.

Die Frauen lesen.

Nederlands: De vrouwen lezen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen