Ich arbeite jetzt.
Nederlands: Ik werk nu. (tegenwoordige tijd)
Op A0-niveau begint het werken met tijden in het Duits als tijdsbewustzijn: nu (Präsens), vóór nu (Präteritum/Perfekt) en na nu (Futur).
Gebruik dit overzicht om de betekenis van zinnen naar tijd te classificeren vóór diepere grammaticale studie.
Ich arbeite jetzt.
Nederlands: Ik werk nu. (tegenwoordige tijd)
Ich arbeitete gestern.
Nederlands: Ik werkte gisteren. (verleden tijd)
Ich werde morgen arbeiten.
Nederlands: Ik zal morgen werken. (toekomende tijd)
Sie ist jetzt zu Hause.
Nederlands: Zij is nu thuis. (tegenwoordige tijd van sein)