Je veux manger une glace.
Nederlands: Ik wil een ijsje eten.
De Franse modale werkwoorden vouloir, pouvoir en devoir gebruik je om een wens, mogelijkheid of verplichting uit te drukken. Ze staan altijd vóór een ander werkwoord in de infinitief.
Gebruik deze werkwoorden om te zeggen wat je wilt doen (vouloir), kunt doen (pouvoir) of moet doen (devoir). Het volgende werkwoord staat altijd in de infinitief.
Je veux manger une glace.
Nederlands: Ik wil een ijsje eten.
Tu peux venir avec moi.
Nederlands: Jij kunt met mij meekomen.
Nous devons finir les devoirs.
Nederlands: Wij moeten het huiswerk afmaken.
Elle veut apprendre le français.
Nederlands: Zij wil Frans leren.