Taal
Frans
Niveau
A1
Eenheid
Verbes : présent
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Het Franse werkwoord 'faire' betekent 'doen' of 'maken'. Het is een belangrijk en onregelmatig werkwoord dat vaak in dagelijkse uitdrukkingen wordt gebruikt.

Wanneer je het gebruikt

'Faire' gebruik je om te praten over activiteiten, het maken van dingen, of in veel vaste uitdrukkingen (zoals bij het weer of sport) in het Frans.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Je fais mes devoirs.

Nederlands: Ik maak mijn huiswerk.

Tu fais la cuisine.

Nederlands: Jij kookt.

Il fait beau.

Nederlands: Het is mooi weer.

Nous faisons du sport.

Nederlands: Wij sporten.

Elles font une promenade.

Nederlands: Zij maken een wandeling.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen