- Taal
- Frans
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Articles
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Bepaalde lidwoorden in het Frans zijn kleine woorden die vóór een zelfstandig naamwoord staan om te verwijzen naar iets of iemand die bekend of specifiek is.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik bepaalde lidwoorden in het Frans als je praat over iets specifieks of iets wat al bekend is. Ze worden ook gebruikt om in het algemeen te spreken, bijvoorbeeld over voorkeuren, categorieën of dagen van de week.
Belangrijke vormen
- le (mannelijk enkelvoud): le livre
- la (vrouwelijk enkelvoud): la table
- l’ (voor een klinker of stomme h): l’école, l’homme
- les (meervoud voor beide geslachten): les enfants
Voorbeelden
Le chat dort.
Nederlands: De kat slaapt.
La voiture est rouge.
Nederlands: De auto is rood.
L’élève écoute.
Nederlands: De leerling luistert.
Les pommes sont sucrées.
Nederlands: De appels zijn zoet.
Tips
- Pas het lidwoord altijd aan het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord aan.
- Gebruik 'l’' alleen als het zelfstandig naamwoord met een klinker of stomme 'h' begint.
- Zet geen bepaald lidwoord voor persoonsnamen.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige landnamen in het Frans krijgen een bepaald lidwoord (bijvoorbeeld: la France, le Canada).
- Bij dagen van de week betekent het lidwoord 'elke' (bijvoorbeeld: Le lundi = elke maandag).