Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden

Zelfstandig naamwoord

Een woord dat verwijst naar een persoon, plaats, ding of idee.

Hoe herken je het. In het Engels komen zelfstandige naamwoorden vaak na een lidwoord of ander determinatief: a book, the city, my idea. Veel ervan hebben meervoudsvormen op -s of -es, en ze kunnen vaak het onderwerp of lijdend voorwerp van een werkwoord zijn.

Let op. Veel Engelse woorden kunnen zowel zelfstandig naamwoord als werkwoord zijn, zoals work, answer of drink. Kijk naar de plaats van het woord in de zin en of er een determinatief vóór staat om te zien welke functie het heeft.

Werkwoorden

Werkwoord

Een woord dat een handeling, toestand of ervaring beschrijft.

Hoe herken je het. Werkwoorden zijn de woorden die veranderen voor tijd of congruentie: work/works/worked, is/was, go/went. In een bijzin komen ze meestal na het onderwerp, en elke volledige zin heeft een hoofdwerkwoord nodig.

Let op. Ga er niet van uit dat alle Engelse werkwoorden regelmatige patronen volgen, zoals -ed voor de verleden tijd. Veelvoorkomende werkwoorden zoals be, have, do en go zijn onregelmatig, dus leer hun hoofdvormen vroeg.

Fraziaal werkwoord

Een werkwoord gevolgd door een kort partikel, samen met één vaste betekenis.

Hoe herken je het. Zoek naar een werkwoord plus een kort woord zoals up, out, off, in of after: give up, find out, look after. De betekenis is vaak niet dezelfde als die van het werkwoord alleen, en het lijdend voorwerp kan de twee delen soms splitsen: turn it off.

Let op. Raad de betekenis niet alleen af uit de afzonderlijke delen; pick up en give up zijn in veel contexten niet letterlijk. Kijk ook of het fraziaal werkwoord scheidbaar is, want turn off the light en turn the light off zijn allebei mogelijk, maar niet bij elk fraziaal werkwoord.

Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijk naamwoord

Een woord dat een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord beschrijft.

Hoe herken je het. In het Engels staan bijvoeglijke naamwoorden meestal vóór een zelfstandig naamwoord: a small house, an interesting film. Ze kunnen ook achter koppelwerkwoorden staan zoals be, seem en become: the house is small.

Let op. Verwar bijvoeglijke naamwoorden niet met bijwoorden: zeg a quick answer maar she answered quickly. Let ook op dat sommige bijvoeglijke-naamwoordsvormen op -ed en -ing verschillende betekenissen hebben, zoals bored tegenover boring.

Bijwoorden

Bijwoord

Een woord dat informatie geeft over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, ander bijwoord of een hele zin.

Hoe herken je het. Veel Engelse bijwoorden eindigen op -ly, zoals slowly, really en carefully, maar veelgebruikte woorden zoals well, often, fast en never doen dat niet. Ze vertellen vaak hoe, wanneer, waar of in welke mate iets gebeurt.

Let op. Een veelgemaakte fout is een bijvoeglijk naamwoord gebruiken waar het Engels een bijwoord nodig heeft: She sings beautifully, niet beautiful. Maar sommige woorden, zoals fast en hard, kunnen al bijwoorden zijn zonder -ly.

Andere woordsoorten

Voornaamwoord

Een woord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of een zelfstandignaamwoordgroep.

Hoe herken je het. Voornaamwoorden vervangen iets dat al uit de context bekend is: Maria is here; she is waiting. In het Engels zijn veelvoorkomende sets onder meer onderwerpvormen (I, he, they), objectvormen (me, him, them) en bezitsvormen (my, mine, their, theirs).

Let op. Engelse voornaamwoorden veranderen van vorm afhankelijk van hun rol, dus kies zorgvuldig tussen I en me, he en him, en they en them. Na een voorzetsel gebruikt het Engels normaal gesproken de objectvorm: for me, with her.

Determinatief

Een woord dat vóór een zelfstandig naamwoord staat om aan te geven welke, wiens of hoeveel.

Hoe herken je het. Determinatieven staan aan het begin van een zelfstandig-naamwoordgroep: the car, this idea, my friend, some water. In het Engels komen ze meestal vóór elk bijvoeglijk naamwoord: those old books, niet old those books.

Let op. Taalgebruikers stapelen determinatieven vaak onjuist op of laten ze weg. In het Engels kies je meestal één hoofd-determinatief tegelijk: my book of the book, meestal niet the my book.

Voorzetsel

Een woord dat vóór een zelfstandig naamwoord, voornaamwoord of zelfstandignaamwoordgroep wordt gebruikt om een relatie aan te geven, zoals plaats, tijd, richting of reden.

Hoe herken je het. Voorzetsels staan meestal vóór een zelfstandignaamwoordgroep: in the room, after lunch, with her, for a reason. In het Engels komen ze heel vaak voor in vaste patronen met werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, zoals listen to, depend on of afraid of.

Let op. Vertaal voorzetsels niet woord voor woord uit een andere taal. Leer ze samen met het woord waarbij ze horen, omdat het Engels vaak vaste combinaties gebruikt die moeilijk te voorspellen zijn.

Voegwoord

Een woord dat woorden, woordgroepen of bijzinnen verbindt.

Hoe herken je het. Veelvoorkomende Engelse voegwoorden zijn and, but, or, because, if en although. Nevenschikkende voegwoorden verbinden gelijkwaardige delen, terwijl onderschikkende voegwoorden een bijzin inleiden die afhankelijk is van een andere bijzin.

Let op. Verwar voegwoorden niet met verbindingsbijwoorden zoals however of therefore, die andere interpunctiepatronen volgen. Wees ook voorzichtig met zinsfragmenten na woorden als because of although: daar hoort normaal gesproken ook een hoofdzin bij.

Tussenwerpsel

Een kort woord of een korte uitdrukking die emotie, reactie of een plots antwoord uitdrukt.

Hoe herken je het. Tussenwerpsels staan vaak op zichzelf of worden door leestekens gescheiden: Oh!, Wow!, Oops, Hey. Als je ze weglaat, klopt de rest van de zin meestal nog steeds grammaticaal.

Let op. Veel tussenwerpsels zijn informeel en komen vaak voor in spreektaal, chat en fictie, maar zijn minder geschikt in formeel schrijven. Let er ook op dat hetzelfde woord in de ene zin een tussenwerpsel kan zijn en in een andere zin iets anders.

Lidwoord

Een kort woord dat aangeeft of een zelfstandig naamwoord specifiek of niet-specifiek is.

Hoe herken je het. Het Engels heeft de onbepaalde lidwoorden a en an en het bepaalde lidwoord the. Lidwoorden staan vóór telbare enkelvoudige zelfstandige naamwoorden en vóór elk bijvoeglijk naamwoord bij dat zelfstandig naamwoord: a big dog, the old house.

Let op. Het gebruik van Engelse lidwoorden is lastig omdat telbare enkelvoudige zelfstandige naamwoorden er meestal één nodig hebben: I bought a book, niet I bought book. Kies ook a of an op basis van klank, niet van spelling: an hour maar a European city.

Getal

Een woord dat verwijst naar een hoeveelheid of een plaats in een volgorde.

Hoe herken je het. Hoofdtelwoorden tellen: one, two, thirty. Rangtelwoorden geven een volgorde aan: first, second, thirtieth; in het Engels staan ze vaak vóór een zelfstandig naamwoord, zoals determinatieven: three cars, the second day.

Let op. Let op dat je getallen niet verwart met meervoudsmarkering: two book is fout, dus zeg two books. Let ook op onregelmatige rangtelwoorden zoals first, second en third, die niet het gewone patroon volgen.

Gezaghebbende grammaticabronnen voor Engels

Veelgestelde vragen

How many parts of speech does English have?
De meeste woordenboeken voor taalleerders delen Engelse woorden in ongeveer acht tot twaalf klassen in, afhankelijk van hoe fijn ze die opsplitsen. De belangrijkste zijn zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voornaamwoord, determinatief, voorzetsel, voegwoord, tussenwerpsel en soms aparte groepen zoals lidwoorden, modale werkwoorden en fraziaal werkwoorden.
Why does one English word appear under more than one part of speech?
Omdat het Engels vaak dezelfde vorm in verschillende functies gebruikt. Bijvoorbeeld: work kan een zelfstandig naamwoord zijn (hard work) of een werkwoord (I work late), dus kijk naar het label voor de betekenis die in jouw zin bedoeld is.
What do dictionary labels like C, U, T, and I mean?
Ze geven meestal extra grammaticale informatie. C betekent telbaar zelfstandig naamwoord, U betekent ontelbaar zelfstandig naamwoord, T betekent transitief werkwoord en I betekent intransitief werkwoord.
Why are articles and determiners sometimes listed separately?
Lidwoorden zijn in het Engels een kleine soort determinatief: a, an en the. Sommige woordenboeken zetten ze onder het bredere label determiner, terwijl leermaterialen ze vaak apart behandelen omdat het gebruik van lidwoorden zo’n veelvoorkomende moeilijkheid is.
How can I tell whether a small word is a preposition, adverb, or part of a phrasal verb?
Kijk wat erachter komt en of het nauw bij het werkwoord hoort. In look at the picture leidt at een zelfstandignaamwoordgroep in, maar in find out maakt out deel uit van het fraziaal werkwoord en leidt het niet zijn eigen object in.

Speel SmartWords-spellen

Zes woordspellen gebouwd op onze echte woordenschat — gratis in de browser, geen installatie nodig.

Open de spelhub →
  • Word Sling illustration

    Word Sling

    Match het middelste woord onder tijdsdruk en houd je combo vast.

    Speel nu →
  • Word Gate illustration

    Word Gate

    Vlieg door de juiste poort voordat de snelheid opvoert.

    Speel nu →
  • Word Ninja illustration

    Word Ninja

    Snijd de woorden in de doeltaal, ontwijk de afleider in de hoofdtaal en ga voor het aangekondigde bonusdoel.

    Speel nu →
  • Word Zip illustration

    Word Zip

    Volg één pad over het bord, raak elk letterankerpunt op volgorde en vul elk open vakje.

    Speel nu →
  • Word Oddity illustration

    Word Oddity

    Kies het woord dat niet past uit een thematische set — elke tik toont meteen alle vier betekenissen en afbeeldingen, zodat de ronde ook een flashcard wordt.

    Speel nu →
  • Word Memory illustration

    Word Memory

    Draai kaarten om en koppel woorden in de doeltaal aan hun betekenis in de hoofdtaal voordat je levens op zijn.

    Speel nu →