Werkwoorden
Een woord dat een handeling, toestand of ervaring beschrijft.
Hoe herken je het. Werkwoorden zijn de woorden die veranderen voor tijd of congruentie: work/works/worked, is/was, go/went. In een bijzin komen ze meestal na het onderwerp, en elke volledige zin heeft een hoofdwerkwoord nodig.
Let op. Ga er niet van uit dat alle Engelse werkwoorden regelmatige patronen volgen, zoals -ed voor de verleden tijd. Veelvoorkomende werkwoorden zoals be, have, do en go zijn onregelmatig, dus leer hun hoofdvormen vroeg.
Een kleine groep werkwoorden die een ander werkwoord extra betekenis geven, zoals vermogen, verplichting, mogelijkheid of toestemming.
Hoe herken je het. In het Engels staan modale werkwoorden vóór de basisvorm van een ander werkwoord: can swim, must leave, should try. Ze krijgen geen -s in vormen met he/she/it, en vragen worden meestal rechtstreeks omgekeerd: Can you come?
Let op. Voeg geen to toe na een kernmodaal werkwoord: zeg can go, niet can to go. Onthoud ook dat modale werkwoorden normaal gesproken geen volledig tijdenstelsel hebben, dus het Engels gebruikt vaak alternatieven zoals be able to of have to.
Een werkwoord gevolgd door een kort partikel, samen met één vaste betekenis.
Hoe herken je het. Zoek naar een werkwoord plus een kort woord zoals up, out, off, in of after: give up, find out, look after. De betekenis is vaak niet dezelfde als die van het werkwoord alleen, en het lijdend voorwerp kan de twee delen soms splitsen: turn it off.
Let op. Raad de betekenis niet alleen af uit de afzonderlijke delen; pick up en give up zijn in veel contexten niet letterlijk. Kijk ook of het fraziaal werkwoord scheidbaar is, want turn off the light en turn the light off zijn allebei mogelijk, maar niet bij elk fraziaal werkwoord.
Andere woordsoorten
Een woord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of een zelfstandignaamwoordgroep.
Hoe herken je het. Voornaamwoorden vervangen iets dat al uit de context bekend is: Maria is here; she is waiting. In het Engels zijn veelvoorkomende sets onder meer onderwerpvormen (I, he, they), objectvormen (me, him, them) en bezitsvormen (my, mine, their, theirs).
Let op. Engelse voornaamwoorden veranderen van vorm afhankelijk van hun rol, dus kies zorgvuldig tussen I en me, he en him, en they en them. Na een voorzetsel gebruikt het Engels normaal gesproken de objectvorm: for me, with her.
Een woord dat vóór een zelfstandig naamwoord staat om aan te geven welke, wiens of hoeveel.
Hoe herken je het. Determinatieven staan aan het begin van een zelfstandig-naamwoordgroep: the car, this idea, my friend, some water. In het Engels komen ze meestal vóór elk bijvoeglijk naamwoord: those old books, niet old those books.
Let op. Taalgebruikers stapelen determinatieven vaak onjuist op of laten ze weg. In het Engels kies je meestal één hoofd-determinatief tegelijk: my book of the book, meestal niet the my book.
Een woord dat vóór een zelfstandig naamwoord, voornaamwoord of zelfstandignaamwoordgroep wordt gebruikt om een relatie aan te geven, zoals plaats, tijd, richting of reden.
Hoe herken je het. Voorzetsels staan meestal vóór een zelfstandignaamwoordgroep: in the room, after lunch, with her, for a reason. In het Engels komen ze heel vaak voor in vaste patronen met werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, zoals listen to, depend on of afraid of.
Let op. Vertaal voorzetsels niet woord voor woord uit een andere taal. Leer ze samen met het woord waarbij ze horen, omdat het Engels vaak vaste combinaties gebruikt die moeilijk te voorspellen zijn.
Een woord dat woorden, woordgroepen of bijzinnen verbindt.
Hoe herken je het. Veelvoorkomende Engelse voegwoorden zijn and, but, or, because, if en although. Nevenschikkende voegwoorden verbinden gelijkwaardige delen, terwijl onderschikkende voegwoorden een bijzin inleiden die afhankelijk is van een andere bijzin.
Let op. Verwar voegwoorden niet met verbindingsbijwoorden zoals however of therefore, die andere interpunctiepatronen volgen. Wees ook voorzichtig met zinsfragmenten na woorden als because of although: daar hoort normaal gesproken ook een hoofdzin bij.
Een kort woord of een korte uitdrukking die emotie, reactie of een plots antwoord uitdrukt.
Hoe herken je het. Tussenwerpsels staan vaak op zichzelf of worden door leestekens gescheiden: Oh!, Wow!, Oops, Hey. Als je ze weglaat, klopt de rest van de zin meestal nog steeds grammaticaal.
Let op. Veel tussenwerpsels zijn informeel en komen vaak voor in spreektaal, chat en fictie, maar zijn minder geschikt in formeel schrijven. Let er ook op dat hetzelfde woord in de ene zin een tussenwerpsel kan zijn en in een andere zin iets anders.
Een kort woord dat aangeeft of een zelfstandig naamwoord specifiek of niet-specifiek is.
Hoe herken je het. Het Engels heeft de onbepaalde lidwoorden a en an en het bepaalde lidwoord the. Lidwoorden staan vóór telbare enkelvoudige zelfstandige naamwoorden en vóór elk bijvoeglijk naamwoord bij dat zelfstandig naamwoord: a big dog, the old house.
Let op. Het gebruik van Engelse lidwoorden is lastig omdat telbare enkelvoudige zelfstandige naamwoorden er meestal één nodig hebben: I bought a book, niet I bought book. Kies ook a of an op basis van klank, niet van spelling: an hour maar a European city.
Een woord dat verwijst naar een hoeveelheid of een plaats in een volgorde.
Hoe herken je het. Hoofdtelwoorden tellen: one, two, thirty. Rangtelwoorden geven een volgorde aan: first, second, thirtieth; in het Engels staan ze vaak vóór een zelfstandig naamwoord, zoals determinatieven: three cars, the second day.
Let op. Let op dat je getallen niet verwart met meervoudsmarkering: two book is fout, dus zeg two books. Let ook op onregelmatige rangtelwoorden zoals first, second en third, die niet het gewone patroon volgen.