The cat is on the table.
Nederlands: De kat is op de tafel.
Plaatsbepalende voorzetsels in het Engels zijn woorden die aangeven waar iemand of iets is. Ze geven de positie aan ten opzichte van iets anders.
Gebruik plaatsbepalende voorzetsels om te zeggen waar mensen, dieren of dingen zich bevinden. Ze beantwoorden de vraag 'Where?' (Waar?) in het Engels.
The cat is on the table.
Nederlands: De kat is op de tafel.
She is in the car.
Nederlands: Zij is in de auto.
The bank is next to the supermarket.
Nederlands: De bank is naast de supermarkt.
There is a picture above the sofa.
Nederlands: Er hangt een schilderij boven de bank.
The ball is between the shoes.
Nederlands: De bal ligt tussen de schoenen.