- Taal
- Engels
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Verb Tenses
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De 'past simple' is een Engelse tijd die je gebruikt om te praten over acties of situaties die in het verleden zijn gebeurd en afgerond.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de past simple om te praten over gebeurtenissen of acties die zijn afgerond, meestal op een specifiek moment in het verleden.
Belangrijke vormen
- Regelmatige werkwoorden: werkwoord + -ed (bijv. walked, played)
- Onregelmatige werkwoorden: speciale verleden tijd (bijv. went, saw)
- Negatief: did not + stam van het werkwoord (bijv. did not go)
- Vraag: Did + onderwerp + stam van het werkwoord? (bijv. Did you see?)
Voorbeelden
I visited London last year.
Nederlands: Ik bezocht Londen vorig jaar.
She watched a movie yesterday.
Nederlands: Zij keek gisteren een film.
We did not eat breakfast.
Nederlands: Wij hebben niet ontbeten.
Did you call your friend?
Nederlands: Heb jij je vriend gebeld?
Tips
- Na 'did not' en in vragen gebruik je altijd de stam van het werkwoord.
- Veel veelgebruikte werkwoorden zijn onregelmatig en krijgen geen -ed (bijv. go → went, have → had).
- Gebruik geen 'was/were' met actie-werkwoorden in de past simple.
Uitzonderingen en randgevallen
- Onregelmatige werkwoorden hebben speciale vormen in het verleden die je moet leren.
- Sommige werkwoorden hebben dezelfde vorm in de tegenwoordige en verleden tijd (bijv. put, cut).