There is a book on the table.
Nederlands: Er ligt een boek op de tafel.
In het Engels gebruik je ‘there is’ en ‘there are’ om te zeggen dat iets bestaat of aanwezig is op een plek.
Gebruik ‘there is’ en ‘there are’ om te vertellen dat mensen, dieren of dingen ergens aanwezig zijn of bestaan.
There is a book on the table.
Nederlands: Er ligt een boek op de tafel.
There are three chairs in the room.
Nederlands: Er staan drie stoelen in de kamer.
Is there a bus stop near here?
Nederlands: Is er een bushalte in de buurt?
There isn’t any milk in the fridge.
Nederlands: Er is geen melk in de koelkast.
Are there any questions?
Nederlands: Zijn er vragen?