I have three apples.
Nederlands: Ik heb drie appels.
In het Engels zijn er 'countable' (telbare) en 'uncountable' (ontelbare) zelfstandige naamwoorden. Telbare zelfstandige naamwoorden zijn dingen die je kunt tellen (bijvoorbeeld: one apple, two apples). Ontelbare zelfstandige naamwoorden zijn dingen die je niet apart kunt tellen, zoals water of rijst.
Gebruik deze grammatica om in het Engels te praten over hoeveelheden. Telbare zelfstandige naamwoorden gebruik je voor losse dingen die je kunt tellen. Ontelbare zelfstandige naamwoorden gebruik je voor stoffen of dingen die je niet één voor één kunt tellen, zoals vloeistoffen of materialen.
I have three apples.
Nederlands: Ik heb drie appels.
There is some milk in the glass.
Nederlands: Er zit wat melk in het glas.
How many books do you have?
Nederlands: Hoeveel boeken heb jij?
How much water do you need?
Nederlands: Hoeveel water heb je nodig?
She eats rice every day.
Nederlands: Zij eet elke dag rijst.