- Taal
- Engels
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Verb tenses and forms
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Engels zijn er regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Ze verschillen in hoe ze de verleden tijd en het voltooid deelwoord vormen.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze vormen om te praten over gebeurtenissen in het verleden, om voltooide tijden te maken (zoals de present perfect), en in passieve zinnen.
Belangrijke vormen
- Regelmatige werkwoorden: stam + -ed (bijv. walk → walked)
- Onregelmatige werkwoorden: speciale vormen (bijv. go → went, eat → ate)
Voorbeelden
I walked to school yesterday.
Nederlands: Ik liep gisteren naar school.
She played football last week.
Nederlands: Zij speelde vorige week voetbal.
He went to the store.
Nederlands: Hij ging naar de winkel.
We ate lunch at noon.
Nederlands: Wij lunchten om twaalf uur.
Tips
- Niet alle werkwoorden krijgen -ed in de verleden tijd. Veelgebruikte werkwoorden zijn vaak onregelmatig.
- Controleer de juiste verleden tijd van onregelmatige werkwoorden in een lijst of woordenboek.
- De uitspraak van -ed kan verschillen: /t/, /d/ of /ɪd/.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden hebben in alle vormen (tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord) dezelfde vorm (bijv. put – put – put).
- Sommige werkwoorden hebben twee correcte verleden tijdsvormen (bijv. learned/learnt).