Who is your teacher?
Nederlands: Wie is jouw leraar?
Vraagwoorden zijn woorden die je aan het begin van een Engelse vraag gebruikt om specifieke informatie te vragen, zoals 'who', 'what', 'where', 'when', 'why' en 'how'.
Gebruik deze woorden om in het Engels te vragen naar personen, dingen, plaatsen, tijd, redenen of manieren.
Who is your teacher?
Nederlands: Wie is jouw leraar?
What is your name?
Nederlands: Wat is jouw naam?
Where do you live?
Nederlands: Waar woon jij?
When is your birthday?
Nederlands: Wanneer ben jij jarig?
How are you?
Nederlands: Hoe gaat het met je?