- Taal
- Engels
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Verb tenses and forms
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De present simple is een Engelse tijd. Je gebruikt het om te praten over gewoontes, feiten, routines en dingen die altijd waar zijn.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de present simple in het Engels voor gewoontes, feiten, routines en algemene waarheden.
Belangrijke vormen
- I/You/We/They + stam van het werkwoord (bijv. I work)
- He/She/It + stam + -s (bijv. She works)
- Negatief: do/does + not + stam (bijv. I do not work, He does not work)
- Vraag: Do/Does + onderwerp + stam? (bijv. Do you work? Does he work?)
Voorbeelden
I live in London.
Nederlands: Ik woon in Londen.
She plays tennis every Saturday.
Nederlands: Zij speelt elke zaterdag tennis.
The sun rises in the east.
Nederlands: De zon komt op in het oosten.
We do not eat meat.
Nederlands: Wij eten geen vlees.
Tips
- Vergeet niet om -s of -es toe te voegen aan het werkwoord bij he, she, it.
- Gebruik de present simple niet voor dingen die nu gebeuren.
- Gebruik do/does voor ontkennende zinnen en vragen.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden veranderen van spelling, bijvoorbeeld: 'have' wordt 'has' bij he/she/it.
- Bij werkwoorden die eindigen op een medeklinker + -y, verander je -y in -ies (bijv. study → studies).