I was at home yesterday.
Nederlands: Ik was gisteren thuis.
De simple past van 'to be' gebruik je in het Engels om te praten over mensen, plaatsen of dingen in het verleden, met 'was' of 'were'.
Gebruik de simple past van 'to be' om te vertellen waar iemand was, hoe iemand zich voelde, of om iets in het verleden te beschrijven.
I was at home yesterday.
Nederlands: Ik was gisteren thuis.
She was happy.
Nederlands: Zij was blij.
They were tired.
Nederlands: Zij waren moe.
We were in London.
Nederlands: Wij waren in Londen.