I go to school at 8 o'clock.
Nederlands: Ik ga om 8 uur naar school.
Tijdsbepalende voorzetsels in het Engels zijn woorden zoals 'in', 'on' en 'at' die aangeven wanneer iets gebeurt.
Gebruik deze voorzetsels om te zeggen wanneer een gebeurtenis plaatsvindt. Kies 'in', 'on' of 'at' afhankelijk van of je praat over een algemene tijd, een dag/datum of een specifiek tijdstip.
I go to school at 8 o'clock.
Nederlands: Ik ga om 8 uur naar school.
My birthday is in June.
Nederlands: Mijn verjaardag is in juni.
We have a meeting on Friday.
Nederlands: We hebben een vergadering op vrijdag.
I read at night.
Nederlands: Ik lees 's nachts.