Taal
Engels
Niveau
A1
Eenheid
Adjectives and Adverbs
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Engels zijn bijvoeglijke naamwoorden (adjectives) woorden die iets zeggen over een zelfstandig naamwoord (persoon, plaats, ding of dier).

Wanneer je het gebruikt

Je gebruikt adjectives in het Engels om de kleur, grootte, vorm, gevoel of andere eigenschappen van een zelfstandig naamwoord te beschrijven.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

She has a red car.

Nederlands: Zij heeft een rode auto.

It is a small dog.

Nederlands: Het is een kleine hond.

The weather is cold.

Nederlands: Het weer is koud.

He is a happy boy.

Nederlands: Hij is een vrolijke jongen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen