I usually walk to school.
Nederlands: Ik loop meestal naar school.
Tegenwoordige signaalwoorden geven vaak routines, feiten of huidige situaties aan.
Gebruik deze woorden om de betekenis van het heden te verankeren in basisuitspraken en vragen.
I usually walk to school.
Nederlands: Ik loop meestal naar school.
She is busy today.
Nederlands: Zij is vandaag druk.
They often eat at home.
Nederlands: Zij eten vaak thuis.
Are you free now?
Nederlands: Ben je nu vrij?