Ik eet een appel.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Woordvolgorde en zinsstructuur
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De 'woordvolgorde in hoofdzin' is de volgorde waarin je de woorden in een Nederlandse hoofdzin zet. Het geeft aan waar het onderwerp, de persoonsvorm en andere zinsdelen staan.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt deze woordvolgorde in gewone hoofdzinnen, bijvoorbeeld bij mededelingen, vragen met een vraagwoord en als je informatie geeft.
Belangrijke vormen
- Onderwerp + persoonsvorm (op de tweede plaats) + andere zinsdelen
- Voorbeeld: Ik lees een boek.
- Komt een ander zinsdeel vooraan, dan blijft de persoonsvorm op de tweede plek: Morgen ga ik naar school.
Voorbeelden
Morgen werk ik thuis.
Mijn broer speelt voetbal.
In de zomer ga ik naar het strand.
Tips
- De persoonsvorm staat altijd op de tweede plaats, ook als de zin met een ander zinsdeel begint.
- Zet niet twee werkwoorden naast elkaar in een hoofdzin; het tweede werkwoord komt alleen achteraan in een bijzin.
- Let op: als je de zin begint met bijvoorbeeld tijd of plaats, komt het onderwerp na de persoonsvorm.
Uitzonderingen en randgevallen
- In ja/nee-vragen staat de persoonsvorm vooraan.
- In bijzinnen verandert de woordvolgorde.