Taal
Nederlands
Niveau
B1
Eenheid
Tijden en werkwoordsvormen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

De verleden tijd van regelmatige werkwoorden is een tijd waarmee je aangeeft dat iets in het verleden is gebeurd en nu is afgerond.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze tijd als je wilt vertellen over gebeurtenissen of handelingen die in het verleden zijn gebeurd en nu voorbij zijn, bijvoorbeeld bij het vertellen van een verhaal of het beschrijven van wat je gisteren hebt gedaan.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ik werkte gisteren thuis.

Wij speelden in het park.

Hij luisterde naar muziek.

Jullie maakten het huis schoon.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen