Ik werkte gisteren thuis.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Tijden en werkwoordsvormen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De verleden tijd van regelmatige werkwoorden is een tijd waarmee je aangeeft dat iets in het verleden is gebeurd en nu is afgerond.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze tijd als je wilt vertellen over gebeurtenissen of handelingen die in het verleden zijn gebeurd en nu voorbij zijn, bijvoorbeeld bij het vertellen van een verhaal of het beschrijven van wat je gisteren hebt gedaan.
Belangrijke vormen
- ik/jij/hij/zij + stam + -te (bij 't kofschip-werkwoorden)
- ik/jij/hij/zij + stam + -de (bij andere werkwoorden)
- wij/jullie/zij + stam + -ten (bij 't kofschip-werkwoorden)
- wij/jullie/zij + stam + -den (bij andere werkwoorden)
Voorbeelden
Wij speelden in het park.
Hij luisterde naar muziek.
Jullie maakten het huis schoon.
Tips
- Let op of de laatste letter van de stam in 't kofschip zit: dan gebruik je -te/-ten.
- Bij andere werkwoorden gebruik je -de/-den.
- Let goed op het verschil tussen enkelvoud (-te/-de) en meervoud (-ten/-den).
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en volgen deze regels niet. Die moet je apart leren.