Ik werkte gisteren.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Werkwoorden en tijden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De verleden tijd van regelmatige werkwoorden gebruik je om te vertellen over iets dat in het verleden is gebeurd en is afgerond. Regelmatige werkwoorden volgen een vaste regel.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze vorm voor gebeurtenissen of situaties die in het verleden plaatsvonden en nu zijn afgerond.
Belangrijke vormen
- Bij de meeste regelmatige werkwoorden voeg je -de of -te toe aan de stam (enkelvoud), en -den of -ten (meervoud).
- Welke uitgang je gebruikt, hangt af van de laatste letter van de stam ('t kofschip-regel).
Voorbeelden
Jij luisterde naar muziek.
Wij speelden in het park.
Zij maakte een tekening.
Tips
- Let goed op de 't kofschip-regel: eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan gebruik je -te/-ten; anders -de/-den.
- Verwar regelmatige werkwoorden niet met onregelmatige werkwoorden, want die krijgen een andere vorm.
- De stam krijg je door -en van het hele werkwoord af te halen (bijvoorbeeld: 'werken' → 'werk').
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en volgen deze regel niet.