Dit boek is nieuw.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Voornaamwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Aanwijzende voornaamwoorden zijn woorden zoals 'dit', 'dat', 'deze' en 'die'. Ze gebruik je om iets of iemand aan te wijzen.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze woorden om duidelijk te maken over welk specifiek persoon of object je het hebt. 'Dit' en 'deze' gebruik je voor iets dat dichtbij is, 'dat' en 'die' voor iets dat verder weg is. Let op het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord.
Belangrijke vormen
- 'dit' (enkelvoud, het-woord)
- 'deze' (enkelvoud, de-woord en alle meervoud)
- 'dat' (enkelvoud, het-woord)
- 'die' (enkelvoud, de-woord en alle meervoud)
Voorbeelden
Deze stoel is mooi.
Dat huis is groot.
Die auto is snel.
Deze appels zijn lekker.
Tips
- Gebruik 'dit' en 'dat' bij het-woorden, en 'deze' en 'die' bij de-woorden en bij meervoud.
- Bij meervoud gebruik je altijd 'deze' of 'die', nooit 'dit' of 'dat'.
- Twijfel je of een woord een de- of het-woord is? Zoek het op!
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige woorden volgen niet de standaardregel voor de- of het-woorden. Controleer het lidwoord als je twijfelt.