Ik eet een appel.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Bijvoeglijke naamwoorden en zinsstructuur
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De woordvolgorde in een hoofdzin geeft aan hoe je het onderwerp, de persoonsvorm en andere zinsdelen in een gewone, bevestigende zin zet.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze volgorde in gewone hoofdzinnen, bijvoorbeeld als je iets vertelt of een ja/nee-vraag stelt.
Belangrijke vormen
- Onderwerp + Persoonsvorm + Andere zinsdelen
- Ik lees een boek.
- Jij woont in Amsterdam.
Voorbeelden
Zij werkt in Rotterdam.
Wij hebben een hond.
Jullie spelen voetbal.
Tips
- De persoonsvorm staat altijd op de tweede plaats in een hoofdzin.
- Komt er een ander zinsdeel (zoals 'Vandaag') vooraan, dan volgt het onderwerp na de persoonsvorm.
- Zet de persoonsvorm niet achteraan in een hoofdzin.
Uitzonderingen en randgevallen
- Staat er een tijd- of plaatsbepaling vooraan, dan blijft de persoonsvorm op de tweede plaats.