Het rode boek ligt op tafel.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Bijvoeglijke naamwoorden en zinsstructuur
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Een bijvoeglijk naamwoord geeft extra informatie over een zelfstandig naamwoord. Het beschrijft bijvoorbeeld hoe iets eruitziet of welke eigenschap het heeft.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt een bijvoeglijk naamwoord om iets over een zelfstandig naamwoord te zeggen, zoals kleur, grootte of eigenschap. Het bijvoeglijk naamwoord staat meestal vóór het zelfstandig naamwoord.
Belangrijke vormen
- Stamvorm: groot huis
- Met -e: grote man
- Geen -e na 'een' + het-woord enkelvoud: een groot huis
Voorbeelden
Ik heb een grote hond.
Zij draagt een mooie jurk.
Wij wonen in een oud huis.
Tips
- Meestal krijgt het bijvoeglijk naamwoord een -e als het vóór het zelfstandig naamwoord staat.
- Na 'een' en bij een het-woord in het enkelvoud krijgt het geen -e.
- Kleuren, maten en eigenschappen zijn bijvoeglijke naamwoorden.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige bijvoeglijke naamwoorden krijgen geen -e, zoals 'leuk' in 'iets leuks'.
- Onregelmatige vormen: goed → goede, maar 'iets goeds'.