Ik was thuis.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Werkwoorden en werkwoordsvormen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De werkwoorden 'zijn' en 'hebben' hebben in de verleden tijd onregelmatige vormen. Deze vormen gebruik je om over het verleden te praten.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze vormen als je iets wilt vertellen over vroeger, bijvoorbeeld waar je was of wat je had.
Belangrijke vormen
- zijn: ik was, jij/u was, hij/zij/het was, wij/jullie/zij waren
- hebben: ik had, jij/u had, hij/zij/het had, wij/jullie/zij hadden
Voorbeelden
Wij waren moe.
Jij had een boek.
Zij hadden een hond.
Hij was laat.
Tips
- Let op het verschil tussen enkelvoud (was/had) en meervoud (waren/hadden).
- 'Zijn' en 'hebben' zijn onregelmatig in de verleden tijd.
- Gebruik 'waren' en 'hadden' bij meerdere personen.
Uitzonderingen en randgevallen
- Na 'je/jij' in een vraag: 'was je?' of 'had je?'.