Taal
Nederlands
Niveau
A1
Eenheid
Werkwoorden en werkwoordsvormen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

De werkwoorden 'zijn' en 'hebben' hebben in de verleden tijd onregelmatige vormen. Deze vormen gebruik je om over het verleden te praten.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze vormen als je iets wilt vertellen over vroeger, bijvoorbeeld waar je was of wat je had.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ik was thuis.

Wij waren moe.

Jij had een boek.

Zij hadden een hond.

Hij was laat.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen