Ik lees een boek.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Werkwoorden en werkwoordsvormen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De tegenwoordige tijd in het Nederlands gebruik je om te praten over dingen die nu gebeuren, regelmatig gebeuren of binnenkort gaan gebeuren. De vorm van het werkwoord hangt af van het onderwerp.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de tegenwoordige tijd voor handelingen die nu plaatsvinden, gewoontes, algemene waarheden of gebeurtenissen in de nabije toekomst.
Belangrijke vormen
- ik werk
- jij werkt
- hij/zij/het werkt
- wij/jullie/zij werken
Voorbeelden
Jij woont in Amsterdam.
Hij speelt voetbal.
Wij leren Nederlands.
Zij werken samen.
Tips
- Bij 'ik' gebruik je meestal de stam van het werkwoord, zonder uitgang.
- Bij 'jij', 'hij', 'zij', 'het' komt er meestal -t achter de stam.
- Let goed op het onderwerp om de juiste vorm te kiezen.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig, zoals 'zijn' (ik ben, jij bent, hij is), 'hebben' (ik heb, jij hebt) en 'gaan' (ik ga, jij gaat).