- Taal
- Spaans
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Tiempos pasados
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Het 'pretérito indefinido' is een Spaanse verleden tijd die wordt gebruikt om afgeronde handelingen in het verleden te beschrijven.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de 'pretérito indefinido' om te praten over acties die begonnen én afgelopen zijn in het verleden, meestal met een duidelijk tijdstip (zoals gisteren, vorige week, in 2010).
Belangrijke vormen
- Voor -ar werkwoorden: hablé, hablaste, habló, hablamos, hablasteis, hablaron
- Voor -er werkwoorden: comí, comiste, comió, comimos, comisteis, comieron
- Voor -ir werkwoorden: viví, viviste, vivió, vivimos, vivisteis, vivieron
Voorbeelden
Ayer comí pizza.
Nederlands: Gisteren at ik pizza.
El año pasado viajamos a México.
Nederlands: Vorig jaar reisden we naar Mexico.
Juan habló con su madre.
Nederlands: Juan sprak met zijn moeder.
Vivieron en Madrid en 2015.
Nederlands: Zij woonden in 2015 in Madrid.
Tips
- Gebruik deze tijd alleen voor afgeronde, eenmalige gebeurtenissen.
- Let op onregelmatige werkwoorden, de stam en uitgangen kunnen veranderen.
- Tijdsaanduidingen zoals 'ayer', 'anoche', 'el mes pasado' wijzen vaak op deze tijd.
Uitzonderingen en randgevallen
- Veelvoorkomende werkwoorden zijn onregelmatig, zoals 'tener' (tuve), 'ser/ir' (fui), 'hacer' (hice).
- Sommige werkwoorden veranderen van spelling voor de uitspraak, zoals 'llegar' (llegué) of 'empezar' (empecé).