La clase empieza a las nueve.
Nederlands: De les begint om negen uur.
Tijdspreposities in het Spaans zijn woorden die aangeven wanneer iets gebeurt: voor, na, op een bepaald moment of gedurende een periode.
Gebruik deze voorzetsels om te vertellen wanneer een gebeurtenis plaatsvindt, hoe lang iets duurt of wanneer iets begint en eindigt.
La clase empieza a las nueve.
Nederlands: De les begint om negen uur.
Voy de vacaciones en julio.
Nederlands: Ik ga op vakantie in juli.
Trabajo desde las ocho hasta las cinco.
Nederlands: Ik werk van acht tot vijf.
Estudié español durante dos años.
Nederlands: Ik heb twee jaar Spaans gestudeerd.
Ceno después de hacer ejercicio.
Nederlands: Ik dineer na het sporten.