- Taal
- Spaans
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Verbos en presente
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Regelmatige werkwoorden in de Spaanse tegenwoordige tijd zijn werkwoorden die vaste regels volgen bij het vervoegen. Je verandert de uitgang van het werkwoord afhankelijk van wie de actie doet.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de tegenwoordige tijd in het Spaans om te praten over dingen die nu gebeuren, gewoontes, routines en algemene feiten.
Belangrijke vormen
- Werkwoorden op -ar: hablar → hablo, hablas, habla, hablamos, habláis, hablan
- Werkwoorden op -er: comer → como, comes, come, comemos, coméis, comen
- Werkwoorden op -ir: vivir → vivo, vives, vive, vivimos, vivís, viven
Voorbeelden
Yo hablo español.
Nederlands: Ik spreek Spaans.
Tú comes una manzana.
Nederlands: Jij eet een appel.
Nosotros vivimos en Madrid.
Nederlands: Wij wonen in Madrid.
Ellos escriben cartas.
Nederlands: Zij schrijven brieven.
Tips
- Let goed op de uitgang van het werkwoord (-ar, -er, -ir) om het juiste patroon te kiezen.
- Verander de uitgang van het werkwoord voor elk onderwerp (yo, tú, él, etc.).
- Vaak is het persoonlijk voornaamwoord niet nodig, omdat de uitgang al duidelijk maakt wie het onderwerp is.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en volgen deze regels niet, bijvoorbeeld: ser, ir, tener.