- Taal
- Spaans
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Adjetivos
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Spaans passen bijvoeglijke naamwoorden zich aan het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en het aantal (enkelvoud of meervoud) van het zelfstandig naamwoord aan.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze regel als je een zelfstandig naamwoord met een bijvoeglijk naamwoord beschrijft. Het bijvoeglijk naamwoord moet overeenkomen in geslacht en aantal met het zelfstandig naamwoord.
Belangrijke vormen
- mannelijk enkelvoud: alto
- vrouwelijk enkelvoud: alta
- mannelijk meervoud: altos
- vrouwelijk meervoud: altas
Voorbeelden
El coche rojo es rápido.
Nederlands: De rode auto is snel.
Las casas grandes son bonitas.
Nederlands: De grote huizen zijn mooi.
La niña simpática canta.
Nederlands: Het vriendelijke meisje zingt.
Los perros pequeños corren.
Nederlands: De kleine honden rennen.
Tips
- In het Spaans komt het bijvoeglijk naamwoord meestal na het zelfstandig naamwoord.
- Vergeet niet het einde van het bijvoeglijk naamwoord aan te passen aan geslacht en aantal.
- Niet alle bijvoeglijke naamwoorden eindigen op -o/-a; sommige blijven hetzelfde voor beide geslachten.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bijvoeglijke naamwoorden zoals 'inteligente' of 'azul' veranderen alleen voor het aantal, niet voor het geslacht.
- Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op -e of een medeklinker hebben dezelfde vorm voor mannelijk en vrouwelijk.