Taal
Spaans
Niveau
A1
Eenheid
Estructura de la oración y preguntas
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Spaans zijn er twee hoofdvormen voor 'jij/u': 'tú' (informeel) en 'usted' (formeel). Deze vormen laten zien hoeveel respect of bekendheid je met iemand hebt.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik 'tú' bij vrienden, familie of mensen van je eigen leeftijd. Gebruik 'usted' bij onbekenden, oudere mensen of in formele situaties.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

¿Cómo estás tú?

Nederlands: Hoe gaat het met je? (informeel)

¿Cómo está usted?

Nederlands: Hoe gaat het met u? (formeel)

Tú tienes un libro.

Nederlands: Jij hebt een boek. (informeel)

¿Usted quiere café?

Nederlands: Wilt u koffie? (formeel)

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen